Nyenrode benoemt Barbara Bier tot hoogleraar ondernemingsrecht en corporate governance

17 August 2011 (23:32) | Ondernemingsrecht |

Gepubliceerd op donderdag 7 juli 2011 om 07:20

Organisatie:
Nyenrode Business Universiteit

 

Prof. mr. Barbara Bier is per 1 juni benoemd tot hoogleraar Ondernemingsrecht en Corporate Governance bij de Nyenrode Business Universiteit. Ze zal zich toeleggen op de juridische aspecten van Corporate Governance en vennootschapsrecht. Naast haar aanstelling bij Nyenrode is Bier als of counsel verbonden aan het advocaten- en notarissenkantoor Stibbe. Tot eind 2009 was zij daar partner en notaris binnen de praktijkgroep ondernemersrecht.

Barbara Bier heeft zeer ruime ervaring in de advisering van aspecten van het ondernemingsrecht, waaronder (financiële) herstructureringen, fusies en overnames en corporate governance.

Daarnaast is Bier lid van de Gecombineerde Commissie vennootschapsrecht, bestuurslid van de ‘Vereeniging Handelsrecht’ en lid van verschillende redacties van juridische vakbladen. Ook is zij redacteur van het Jaarboek Corporate Governance en lid van de hoofdredactie van SDU commentaar Ondernemingsrecht. Zij publiceert regelmatig over vennootschapsrecht, met name over kapitaalbescherming.

Barbara Bier studeerde handelsrecht en notarieel recht aan de universiteit van Leiden. Ze promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, op het proefschrift ‘Uitkeringen aan aandeelhouders.’

De leerstoel van Barbara Bier is ondergebracht bij het Corporate Governance instituut van Nyenrode Business Universiteit. Corporate Governance vormt één van de speerpunten in het onderzoek en onderwijs van de Nyenrode Business Universiteit. Daarnaast speelt ondernemingsrecht een steeds belangrijker rol in haar onderwijsprogramma’s. Met de benoeming van Barbara Bier wordt zowel de praktische- als theoretische juridische kennis binnen Nyenrode versterkt.

"Britse rechters draaien door"

17 August 2011 (15:04) | Rechters |


Niet alleen een hoop Britse jongeren draaiden door tijdens de rellen van vorige week, ook de rechters die hen moeten bestraffen zien de zaken niet helder meer. Advocaten en activisten waarschuwen voor de absurd hoge straffen die opgelegd worden aan mensen die verdacht worden van deelname aan de onlusten.

Politici en rechters willen een duidelijk signaal uitsturen, maar overdrijven daarin. Zo kregen twee mannen zelfs celstraffen van vier jaar omdat zij op Facebook hadden opgeroepen tot rellen die nooit hebben plaatsgevonden. Critici argumenteren dat dergelijke straffen normaal pas worden opgelegd bij zwaar geweld of een gewapende overval.

Het is begrijpelijk dat zowel aanklagers als rechters de rellen beschouwen als een verzwarende omstandigheid die een hardere aanpak rechtvaardigt, vindt Andrew Neilson, campagneleider van een organisatie die ijvert voor hervorming van het Britse strafrecht. De strengere aanpak levert echter slecht onderbouwde vonnissen op die in hoger beroep zeker zullen sneuvelen. Dat kan het hele rechtssysteem ondermijnen, luidt het. (sam)

LJN BR5100, Gerechtshof Arnhem, 200.088.818

17 August 2011 (8:41) | Faillissementen |





Dowload PDF-versie

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.088.818
(rekestnummers rechtbank: 210757/FT-RK 11.71 en 210758/FT-RK 11.72)

arrest van de eerste civiele kamer van 11 augustus 2011

inzake

[appellant sub 1]
en zijn echtgenote
[appellante sub 2],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
advocaat: mr. H.D.L.M. Schruer te Rotterdam.


1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Op 13 januari 2011 hebben appellanten (hierna: [appellanten]) de rechtbank Arnhem verzocht om ten aanzien van hen de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te passen.

1.2 Bij vonnis van 6 juni 2011 heeft de rechtbank Arnhem de desbetreffende verzoeken van [appellanten] afgewezen.

1.3 Het hof verwijst naar bovengenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 14 juni 2011 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van bovengenoemd vonnis van 6 juni 2011 en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, hen ieder alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling dan wel de zaak voor dit doel terug te wijzen naar de rechtbank Arnhem, kosten rechtens.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met de daarbij behorende stukken, alsmede van de brieven met bijlagen van 8 juli 2011 en 28 juli 2011 van mr. Schruer.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2011, waarbij [appellanten] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Schruer, die het woord heeft gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Tevens is namens Grip Schuldhulpverlening B.V. te Tiel (hierna: Grip) verschenen [...].


3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 [appellant sub 1], 51 jaar, en [appellante sub 2], 55 jaar, zijn sinds 20 juni 1997 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij hun verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling hebben zij ieder een “verklaring schuldsanering” overgelegd zoals bedoeld in artikel 285, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw). Volgens het bij die verklaringen gevoegde overzicht van schulden bedraagt de gezamenlijke schuldenlast van [appellanten] in totaal€ 27.826,97. De schuldenlast bestaat, volgens dat overzicht, uit een schuld aan de Belastingdienst van € 3.226,-, een schuld aan Dexia Nederland B.V. van € 2.794,39 en een schuld aan Defam Financieringen B.V. van € 21.806,58.

3.2 De rechtbank heeft de verzoeken van [appellanten] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen en daarbij, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. De poging om te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling die is voorafgegaan aan de verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, is uitgevoerd door Grip. Grip heeft hiertoe geen opdracht gekregen van de gemeente [woonplaats], waar [appellanten] woonachtig zijn, maar van laatstgenoemden zelf. Grip is geen persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck). Er is geen algemene maatregel van bestuur tot stand gekomen op grond van artikel 48, eerste lid onder d, Wck waarbij instellingen zoals Grip zijn aangewezen om schuldbemiddeling te verrichten. De poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling is dus niet uitgevoerd door een persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck. Het bepaalde in artikel 288, tweede lid aanhef en onder b, Fw brengt daarom mee dat de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling moetenworden afgewezen.

3.3 Argumenten van [appellanten] strekkend tot het tegendeel zijn door de rechtbank verworpen. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder overwogen, samengevat, dat aan de toepasselijkheid van de afwijzingsgrond genoemd in artikel 288, tweede lid onder b, Fw niet afdoet dat de verklaring (bedoeldin artikel 285, eerste lid onder f, Fw) dat geen buitengerechtelijke schuldregeling mogelijk is gebleken, is afgegeven namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats]. De toepasselijkheid van die afwijzingsgrond wordt evenmin weggenomen doordat Grip beschikt over een zogeheten NEN-8048 certificaat, dat haar is verstrekt ter bevestiging dat zij voldoet aan bepaalde kwaliteitseisen op het gebied van schuldhulpverlening en schuldbemiddeling. Dit maakt immers niet dat zij in de zin van artikel 288, tweede lid onder b, Fw bevoegd is een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling uit te voeren. Ook uit de stelling dat Grip de desbetreffende poging“om niet” (zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid onder a, Wck) heeft uitgevoerd, heeft de rechtbank een zodanige bevoegdheid niet afgeleid: de werkzaamheden van Grip zijn aan de werkgever van [appellant sub 1] in rekening gebracht, zodat zij deze niet“om niet” heeft verricht (en zij geen instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck is).

3.4 In hoger beroep betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling die aan hun verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is voorafgegaan, niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Zij kunnen in dit betoog niet worden gevolgd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.


3.5 Artikel 285, eerste lid aanhef en onder f, Fw schrijft voor dat in een verzoekschrift tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling of in een daarbij gevoegde bijlage een met redenen omklede verklaring moet worden opgenomen dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar wiens toelating wordt verzocht. Aan deze eis voldoen de door [appellanten] ingediende verzoekschriften. In de daarbij gevoegde“verklaring schuldsanering” is immers namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] verklaard dat een minnelijk traject is mislukt doordat niet alle schuldeisers akkoord waren, in het bijzonder doordat Defam Financieringen B.V. niet heeft ingestemd met het (namens [appellanten]) gedane schuldbemiddelingsvoorstel.

3.6 Artikel 288, tweede lid aanhef en onder b, Fw bepaalt vervolgens dat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen als de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48,eerste lid, Wck. Artikel 48, eerste lid, Wck houdt in dat het verbod op schuldbemiddeling dat is neergelegdin artikel 47, eerste lid, Wck niet van toepassing is wanneer het gaat om schuldbemiddeling (a) om niet, (b) door gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of andere door gemeenten gehouden instellingen, die zich krachtens hun doelstelling met schuldbemiddeling bezighouden, (c) door advocaten, procureurs, curatoren en bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet aangesteld, notarissen, deurwaarders, registeraccountants en accountants-administratieconsulenten, of (d) door natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan, aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur. De in artikel 288, tweede lid aanhef en onder b, Fw vervatte eis dat de aan een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voorafgaande schuldbemiddeling is uitgevoerd door een persoon of instelling zoals bedoeld inartikel 48, eerste lid, Wck, beoogt te bewerkstelligen dat de kwaliteit van de buitengerechtelijke schuldregeling wordt bevorderd, zodat het vertrouwen daarin wordt verhoogd.

3.7 [appellanten] bestrijden in hoger beroep niet dat de (mislukte) poging om te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling door Grip niet“om niet” is verricht, omdat de kosten ervan aan de werkgever van [appellant sub 1] in rekening zijn gebracht (en door deze zijn betaald). Zij bestrijden evenmin dat de gemeente [woonplaats] geen besluit heeft genomen tot mandatering van Grip tot het uitvoeren van die poging namens de gemeente,zodat die poging niet kan worden geacht te zijn gedaan door de gemeente. Ook bestrijden [appellanten] niet dat Grip geen beroep uitoefent zoals hierboven onder (c) genoemd. Ten slotte is niet bestreden dat er geen algemene maatregel van bestuur is tot stand gekomen waarbij Grip is aangewezen om schuldbemiddeling te verrichten. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat Grip geen persoon of instelling is zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck, zodat de namens [appellanten] uitgevoerde poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is gedaan door een in die bepaling bedoeldepersoon of instelling. Artikel 288, tweede lid aanhef en onder b, Fw schrijft dan dwingend voor dat de gedane verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden afgewezen.

3.8 Het betoog van [appellanten] erop neerkomend dat de kwaliteit van de schuldbemiddeling door Grip zodanig is gewaarborgd, in het bijzonder blijkend uit het onder 3.3 genoemde NEN-8048 certificaat en de opleidingen en kwalificaties van haar medewerkers, dat Grip voor de toepassing van artikel 288, tweede lid aanhef en onder b, Fw moet worden gelijkgesteld aan een persoon of instelling die artikel 48, eerste lid, Wck heeft bedoeld vrij te stellen van het verbod op schuldbemiddeling, althans dat de afwijzingsgrond van artikel 288, tweede lid aanhef en onder b, Fw in het nu voorliggende geval buiten toepassing moet worden gelaten, kan niet tot een ander oordeel leiden. Allereerst gaat dit betoog eraan voorbij dat de bewoordingen van laatstgenoemde wetsbepaling geen ruimte laten voor toewijzing van een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling als de poging om te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck. Artikel 288, tweede lid onder b, Fw verwijst immers uitsluitend naar een persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck voor het uitvoeren van een dergelijke poging. Hieraan doet niet af dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] de in artikel 285, eerste lid onder f, Fw bedoelde verklaring heeft afgegeven, een en ander zoals onder 3.5 beschreven, nu dit niet maakt dat Grip kan worden gerekend tot de personen en instellingen die vallen onder artikel 48, eerste lid, Wck.

3.9 Vervolgens gaan [appellanten] eraan voorbij dat de vraag of de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling is uitgevoerd door een persoon of instelling die over daarvoor toereikende kwaliteiten beschikt, door de wetgever in artikel 288, tweede lid onder b, Fw uitputtend is beantwoord in die zin, dat de desbetreffende persoon of instelling moet behoren tot de personen en instellingen genoemd in artikel 48, eerste lid, Wck. Voor een kwaliteitstoetsing van die persoon of instelling naast en in afwijking van deze maatstaf door de rechter die een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moet beoordelen, is geen plaats. Dat zou immers betekenen dat de rechter zich zelfstandig een oordeel zou moeten vormen over de kwaliteit van de schuldbemiddeling door een persoon of instelling die niet behoort tot de in artikel 48, eerste lid, Wck genoemde personen en instellingen, zoals Grip. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 november 2010, LJN BN8060, met zoveel woorden overwogen dat van de rechter niet kan worden gevergd dat deze in gevallen waarin de schuldbemiddeling voorafgaand aan een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is verricht door een persoon of instelling niet vallend onder artikel 48, eerste lid, Wck, onderzoekt of deze bemiddeling van voldoende kwaliteit is geweest. Dit uitgangspunt geldt ook in het nu voorliggende geval.

3.10 Het hoger beroep faalt derhalve. Nu voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het hof een andersluidende beslissing zou moeten nemen, zal worden beslist zoals hierna te melden.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis vande rechtbank Arnhem van 6 juni 2011.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, A. Smeeïng-van Hees en F.W.J. Meijer, en is op 11 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Nyenrode benoemt Barbara Bier tot hoogleraar ondernemingsrecht en corporate governance

16 August 2011 (20:22) | Ondernemingsrecht |

Gepubliceerd op donderdag 7 juli 2011 om 07:20

Organisatie:
Nyenrode Business Universiteit

 

Prof. mr. Barbara Bier is per 1 juni benoemd tot hoogleraar Ondernemingsrecht en Corporate Governance bij de Nyenrode Business Universiteit. Ze zal zich toeleggen op de juridische aspecten van Corporate Governance en vennootschapsrecht. Naast haar aanstelling bij Nyenrode is Bier als of counsel verbonden aan het advocaten- en notarissenkantoor Stibbe. Tot eind 2009 was zij daar partner en notaris binnen de praktijkgroep ondernemersrecht.

Barbara Bier heeft zeer ruime ervaring in de advisering van aspecten van het ondernemingsrecht, waaronder (financiële) herstructureringen, fusies en overnames en corporate governance.

Daarnaast is Bier lid van de Gecombineerde Commissie vennootschapsrecht, bestuurslid van de ‘Vereeniging Handelsrecht’ en lid van verschillende redacties van juridische vakbladen. Ook is zij redacteur van het Jaarboek Corporate Governance en lid van de hoofdredactie van SDU commentaar Ondernemingsrecht. Zij publiceert regelmatig over vennootschapsrecht, met name over kapitaalbescherming.

Barbara Bier studeerde handelsrecht en notarieel recht aan de universiteit van Leiden. Ze promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, op het proefschrift ‘Uitkeringen aan aandeelhouders.’

De leerstoel van Barbara Bier is ondergebracht bij het Corporate Governance instituut van Nyenrode Business Universiteit. Corporate Governance vormt één van de speerpunten in het onderzoek en onderwijs van de Nyenrode Business Universiteit. Daarnaast speelt ondernemingsrecht een steeds belangrijker rol in haar onderwijsprogramma’s. Met de benoeming van Barbara Bier wordt zowel de praktische- als theoretische juridische kennis binnen Nyenrode versterkt.

Rechters mild voor filmende dameskapper

16 August 2011 (14:20) | Rechters |

Twee weken geleden had het openbaar ministerie (OM) 120 uur taakstraf geëist. De rechters waren echter mild voor de kapper omdat het volgens hen juridisch niet om een seksuele handeling gaat. Bovendien is de zaak ‘veel te lang’ bij justitie op de plank blijven liggen en is de kapper door alle (media)aandacht al min of meer gestraft.

De 39-jarige kapper zei twee weken geleden tegen de rechtbank dat hij een spycam in een mandje op het toilet had geplaatst om erachter te komen wie ervoor verantwoordelijk was dat het toilet geregeld verstopt raakte. Een van de kapsters ontdekte de camera. De zes kapsters, die allen ontslag namen, zeiden psychische schade te hebben opgelopen. Enkelen van hen zijn inmiddels een eindje verderop hun eigen zaak begonnen.

Nyenrode benoemt Barbara Bier tot hoogleraar ondernemingsrecht en corporate governance

16 August 2011 (7:25) | Ondernemingsrecht |

Gepubliceerd op donderdag 7 juli 2011 om 07:20

Organisatie:
Nyenrode Business Universiteit

 

Prof. mr. Barbara Bier is per 1 juni benoemd tot hoogleraar Ondernemingsrecht en Corporate Governance bij de Nyenrode Business Universiteit. Ze zal zich toeleggen op de juridische aspecten van Corporate Governance en vennootschapsrecht. Naast haar aanstelling bij Nyenrode is Bier als of counsel verbonden aan het advocaten- en notarissenkantoor Stibbe. Tot eind 2009 was zij daar partner en notaris binnen de praktijkgroep ondernemersrecht.

Barbara Bier heeft zeer ruime ervaring in de advisering van aspecten van het ondernemingsrecht, waaronder (financiële) herstructureringen, fusies en overnames en corporate governance.

Daarnaast is Bier lid van de Gecombineerde Commissie vennootschapsrecht, bestuurslid van de ‘Vereeniging Handelsrecht’ en lid van verschillende redacties van juridische vakbladen. Ook is zij redacteur van het Jaarboek Corporate Governance en lid van de hoofdredactie van SDU commentaar Ondernemingsrecht. Zij publiceert regelmatig over vennootschapsrecht, met name over kapitaalbescherming.

Barbara Bier studeerde handelsrecht en notarieel recht aan de universiteit van Leiden. Ze promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, op het proefschrift ‘Uitkeringen aan aandeelhouders.’

De leerstoel van Barbara Bier is ondergebracht bij het Corporate Governance instituut van Nyenrode Business Universiteit. Corporate Governance vormt één van de speerpunten in het onderzoek en onderwijs van de Nyenrode Business Universiteit. Daarnaast speelt ondernemingsrecht een steeds belangrijker rol in haar onderwijsprogramma’s. Met de benoeming van Barbara Bier wordt zowel de praktische- als theoretische juridische kennis binnen Nyenrode versterkt.

‘Rechters geven bijbanen nog steeds niet op’

16 August 2011 (0:18) | Rechters |

AMSTERDAM – De bijbanen van tientallen rechters zijn nog steeds niet terug te vinden in het openbare register waarin nevenfuncties staan.

Foto:  ANP


 Bekijk video

Dat meldt het FD donderdag. Van de 45 rechters die in mei naar boven kwamen bij eerder onderzoek van de krant, hebben slechts tien het register inmiddels volledig aangepast.

Een Kamermeerderheid wil dat minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten (VVD) aandringt op meer openheid. “De tijd van vrijblijvendheid lijkt nu wel voorbij”, reageert Kamerlid Jeroen Recourt (PvdA), zelf oud-rechter, in de krant. Ook CDA, SP en D66 willen meer actie.

De rechters die op de korrel worden genomen zouden bijvoorbeeld docent zijn bij juridische uitgeverijen, bestuurder bij stichtingen en fondsen of zitting hebben in een raad van toezicht of raad van commissarissen.

Functies

Behalve de tien rechters die hun nevenfuncties inmiddels hebben opgegeven, constateerde het FD dat één rechter het register gedeeltelijk heeft aangepast. Drie plaatsvervangende rechters zouden inmiddels niet meer als rechter worden ingezet. Ook leverde het onderzoek acht nieuwe rechters op

Rechters zijn sinds 1997 verplicht op te geven welke functies ze nog meer uitoefenen. Aanbevolen wordt om alle betaalde en de meeste onbetaalde bijbanen op te geven. In de praktijk blijkt dat het register vaak onvolledig, niet transparant en niet actueel is.

Nyenrode benoemt Barbara Bier tot hoogleraar ondernemingsrecht en corporate governance

15 August 2011 (18:05) | Ondernemingsrecht |

Gepubliceerd op donderdag 7 juli 2011 om 07:20

Organisatie:
Nyenrode Business Universiteit

 

Prof. mr. Barbara Bier is per 1 juni benoemd tot hoogleraar Ondernemingsrecht en Corporate Governance bij de Nyenrode Business Universiteit. Ze zal zich toeleggen op de juridische aspecten van Corporate Governance en vennootschapsrecht. Naast haar aanstelling bij Nyenrode is Bier als of counsel verbonden aan het advocaten- en notarissenkantoor Stibbe. Tot eind 2009 was zij daar partner en notaris binnen de praktijkgroep ondernemersrecht.

Barbara Bier heeft zeer ruime ervaring in de advisering van aspecten van het ondernemingsrecht, waaronder (financiële) herstructureringen, fusies en overnames en corporate governance.

Daarnaast is Bier lid van de Gecombineerde Commissie vennootschapsrecht, bestuurslid van de ‘Vereeniging Handelsrecht’ en lid van verschillende redacties van juridische vakbladen. Ook is zij redacteur van het Jaarboek Corporate Governance en lid van de hoofdredactie van SDU commentaar Ondernemingsrecht. Zij publiceert regelmatig over vennootschapsrecht, met name over kapitaalbescherming.

Barbara Bier studeerde handelsrecht en notarieel recht aan de universiteit van Leiden. Ze promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, op het proefschrift ‘Uitkeringen aan aandeelhouders.’

De leerstoel van Barbara Bier is ondergebracht bij het Corporate Governance instituut van Nyenrode Business Universiteit. Corporate Governance vormt één van de speerpunten in het onderzoek en onderwijs van de Nyenrode Business Universiteit. Daarnaast speelt ondernemingsrecht een steeds belangrijker rol in haar onderwijsprogramma’s. Met de benoeming van Barbara Bier wordt zowel de praktische- als theoretische juridische kennis binnen Nyenrode versterkt.

Braziliaanse rechter die maffia bestreed vermoord

15 August 2011 (11:46) | Rechters |

Volgens getuigen werd de auto van de rechter door twee motoren en twee wagens met gemaskerde inzittenden onderschept toen ze aan haar woning arriveerde.

De rechter genoot tussen 2002 en 2007 politiebescherming, maar ze had die vraag nadien niet hernieuwd ondanks meerdere doodsbedreigingen.

Rechter Acioli heeft onder meer leden van de militaire politie veroordeeld die ervan beschuldigd werden elf mensen te hebben geëxecuteerd in Sao Gonçalo.

De nationale raad van justitie schat dat in Brazilië 87 rechters met de dood worden bedreigd.

LJN BR4546, Rechtbank Alkmaar, 126582 / FT RK 11-35

15 August 2011 (5:34) | Faillissementen |





Dowload PDF-versie

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht
WD/MS

zaak- en rekestnummer: 126582/ FT RK 11-35
datum: 12 juli 2011 (bij vervroeging)

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

op verzoek van:

[naam verzoeker], wonende te Alkmaar,
advocaat mr. R. Kiewitt te Alkmaar.

1 De procedure

1.1 Op 1 februari 2011 is ter griffie ontvangen het verzoekschrift strekkende tot rehabilitatie als bedoeld in artikel 206 van de Faillisementswet (Fw).

1.2 Het verzoek is aangekondigd in de Staatscourant. Geen van de erkende schuldeisers heeft verzet aangetekend tegen de inwilliging van het verzoek.

1.3 De zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 28 juni 2011, alwaar verzoeker zijn verzoek nader heeft toegelicht.

De zaak is ten slotte verwezen voor beschikking. De inhoud van voormelde stukken geldt als hier ingelast.

2 De uitgangspunten

2.1 Verzoeker is bij vonnis van deze rechtbank van 31 december 2003 in staat van faillissement verklaard.

2.2 In voornoemd faillissement is op 3 november 2006 een verificatievergadering gehouden, alwaarde stemming heeft plaatsgevonden van een aan de schuldeisers aangeboden akkoord. Aan de preferente en concurrente schuldeisers werd betaling van 36,76[procent] respectievelijk 18,38[procent]. aangeboden. Blijkens het proces-verbaal van deze verificatievergadering is de curator overgegaan tot het erkennen van 21 concurrente vorderingen en 3 preferente vorderingen. Eén erkende concurrent schuldeiser, te weten Galama Advocaten die een vordering heeft van [euro] 831,81, is niet in persoon of middels een gevolmachtigde ter vergadering verschenen. Alle overige schuldeisers hebben bij volmacht met het akkoord ingestemd, waarna het akkoord is aangenomen.

2.3 Bij vonnis van 16 november 2006 is het aangenomen akkoord gehomologeerd. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
3 Het verzoek en de gronden waarop het berust

3.1 Verzoeker meent, kort gezegd, voor rehabilitatie in aanmerking te komen, omdat het faillissement is geëindigd door de homologatie van een akkoord en de schuldeisers op basis van dit akkoord zijn uitbetaald. Van belang is voorts, aldus verzoeker ter zitting, dat de vordering van Galama Advocaten niet (meer) bestaat, omdat deze vordering waarschijnlijk door de voormalige compagnon van verzoeker is betaald.

4 De beoordeling

4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verzoeker in zijn verzoek kan worden ontvangen. Hiertoe is vereist dat bij het verzoekschrift het bewijs is gevoegd dat alle erkende schuldeisers “ten genoegen hunner” zijn voldaan (artikel 207 Fw). Hoewel dit niet inhoudt datdeze schuldeisers volledig zijn voldaan, is het niet -zonder meer- voldoende dat zij slechts overeenkomstig het akkoord betaald hebben gekregen. Het akkoord heeft namelijk niet de strekking dat de erkende schuldvorderingen te niet gaan, maar onthoudt slechts de afdwingbaarheid aan deze vorderingen, voor zover ze na de uitvoering van het akkoord onvoldaan zijn gebleven. Uit de enkele nakoming van het akkoord valt dus niet af te leiden dat ieder erkende schuldeiser tot zijn genoegen is voldaan. Nu geen bescheiden zijn overgelegd waaruit blijkt dat de erkende schuldeisers tot hun genoegen zijn voldaan, is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

4.2 Uit het voorgaande volgt dat de betwisting door verzoeker ter zitting van het bestaan van de vordering van Galama Advocaten niet ter zake doet. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Waar artikel 207 Fw spreekt over erkende schuldeisers, wordt daarmee gedoeld op alle door de curator in het faillissement van verzoeker erkende schuldeisers. Nugebleken is dat Galama Advocaten als zodanig moet worden beschouwd zal, ingeval een nieuw verzoek wordt ingediend, het vereiste bewijs ook ten aanzien laatstgenoemde schuldeiser moeten worden geleverd.

4.3 Nu verzoeker niet-ontvankelijk is in het verzoek, is er geen aanleiding om het Openbaar Ministerie te horen op de voet van artikel 210 Fw.

5 De beslissing

De rechtbank

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. M.C. Schenkeveld,lid van gemelde kamer, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2011in tegenwoordigheid van mr. W.Th. Delleman als griffier.