Bestuursorgaan moet bij nadere besluitvorming blijven binnen het door haarzelf aangegeven in rechte onaantastbaar geworden kader. De schade die het gevolg is van niet tot uitbetaling gekomen pgb-bedragen moet door het indicatieorgaan worden vergoed Advocaten uit Duiven

28 October, 2008 (01:50) | Ondernemingsrecht

Naar het oordeel van de Raad vereist de rechtszekerheid dat de nadere besluitvorming van appellante over de schadevergoeding blijft binnen het door haarzelf bij het besluit van 14 juni 2006 aangegeven, in rechte onaantastbaar geworden, kader. Dit heeft tot gevolg dat de gevorderde schadeposten alleen nog door appellante konden worden afgewezen op de grond dat het niet gaat om kosten die zijn gemaakt in verband met de ten onrechte onthouden indicatie voor negen extra zorguren of dat, indien het wel om die kosten gaat, deze kosten vergoed zijn of zullen worden door het zorgkantoor.
Advocatenkantoor Van den Biggelaar

Niet in geschil is dat appellant als een schoolverlater als bedoeld in artikel 28 van de WWB en artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, van de Verordening is aan te merken, zodat hij op grond van artikel 6, eerste lid, van de Verordening in beginsel niet in aanmerking komt voor een toeslag als bedoeld in artikel 25 van de WWB. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand is de toeslag als bedoeld in artikel 25 van de WWB voor de alleenstaande schoolverlater nihil.
Bader Maas Advocaten

Peters) tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V. (advocaten: mr. de Kluiver en mr. H.J. (advocaten: mr. C.N. F.M. Op vrijdag 31 oktober 2008 te 09:30 uur wordt ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer (gerechtshof Amsterdam) behandeld het verzoek van Vereniging van Effectenbezitters c.s. Hoff en mr. G.T.J. Peijster) en tot het treffen van bepaalde onmiddellijke voorzieningen.
Koppelaar & Linssen Advocaten

Naar het oordeel van de Raad is wat de gezinsleden betreft sprake van een voordeel dat appellant genoot als houder van een OV-jaarkaart eerste klasse en niet van een uit dienstbetrekking genoten voordeel. Appellant kon als houder van een OV-kaart voor zijn gezinsleden tegen een gereduceerde prijs een OV-jaarkaart aanschaffen waarmee die gezinsleden gratis (lees: zonder – verdere – bijbetaling) konden reizen.
Boomstra Advocaten